Bestuurslid Frans Nawijn heette iedereen welkom. “Vandaag leggen we deze Stolpersteine. Het zijn weliswaar kleine stenen, maar ze dragen een onvoorstelbaar groot en zwaar verhaal met zich mee. We staan straks op plekken die ooit een thuis waren. Burgers die hier volwaardig deel uitmaakten van de samenleving – onze Joodse stadsgenoten en moedige verzetsstrijders – werden weggevoerd, gedeporteerd en in de anonimiteit van de kampen vermoord. Ze werden abrupt uit het straatbeeld en uit ons midden gewist.”
“Deze stenen herinneren ons eraan hoe kostbaar, maar ook hoe kwetsbaar onze vrijheid is. Ze roepen ons op om waakzaam te blijven tegen uitsluiting en discriminatie, júíst in de wereld van vandaag.”

Vanuit het Brodshoes vertrok de stoet naar de Tabaksgaarden 13. Leerlingen van basisschool In den Climtuin gaven de stenen aan die door Bert Sanderman van de gemeente Rijssen-Holten gelegd werden voor Marcus Polak, 42 jaar, Berta Polak-de Levie, 38 jaar, en de 17-jarige Isaak Mozes.
Gerrit Alink van de stichting Stolpersteine Goor vertelde over deze familie, en over de laatste dagen van dit gezin. Vervolgens legden leerlingen rozen en lazen een gedicht.
Voorganger A.H.G. Oude Engberink, voorzitter van de Liberaal Joodse Gemeente Twente, sprak het Jiskor, een gebed voor de overledenen.

Het was oorlog, voor sommigen pas een half jaar,
Maar plotseling waren de Duitsers daar.
Ze dachten misschien wel: ‘Wat een ramp’.
En later zaten ze gevangen in een vernietigingskamp.

In Rijssen woonden ongeveer 115 Joden,
Waarvan uiteindelijk meer dan 100 doden.
Een handjevol kwam weer terug,
Maar iedereen keerde hen de rug.

Voor alle Joden die in het Oosten zijn vermoord,
Waar nooit meer iemand wat van heeft gehoord,
Hebben wij nu deze struikelstenen,
Om te herdenken aan al diegenen.

Daarna werden stenen gelegd voor Frederika Levijna Vomberg-Salomonson, 37 jaar en haar 12-jarige zoon Julius, wonend aan de Zuiderstraat 9.

Julius werd, samen met zijn moeder, op 7 juni 1943 vanuit Vught naar Westerbork getransporteerd en vervolgens op 8 juni vanuit Westerbork naar Sobibor, met het beruchte kindertransport. Op 11 juni kwam de trein met daarin ook Juulke en zijn moeder aan in Sobibor in Polen. Iedereen werd vrijwel direct na aankomst door vergassing om het leven gebracht. Ook Juulke en Frederika werden diezelfde dag vermoord.

Emma, de dochter, kon vluchten en overleefde de oorlog. Ze trouwde na de oorlog met José Augura uit Groningen, die ondergedoken was. In 1948 vertrokken ze naar Israël.

Vervolgens werden Stolpersteine gelegd voor het gezin van Abraham Pagrach, 57 jaar, Mietje Pagrach-de Vries, 56 jaar, en hun zonen, de 23-jarige Manuel en de 21-jarige Samuel, aan de Zuiderstraat 25.
Abraham trouwde met Mietje de Vries uit Borculo en hier, in de Zuiderstraat 25, stichtten ze hun gezin. Ze kregen 6 kinderen: 4 meiden, 2 jongens.
Abraham en Mietje werden er vermoord op 14 mei 1943 in Sobibor. Oudste dochter Johanna was in 1941 getrouwd en verhuisd naar Oss. Ze werd samen met haar dochtertje van 6 maanden geïnterneerd in kamp Vught. Daar stierf haar baby. Zijzelf werd vergast in Sobibor en haar man werd in 1944 omgebracht. Manuel werd vermoord op 28 februari 1943 in Auschwitz, Samuel 2 maand daarvoor, ook in Auschwitz.

Wonder boven wonder overleefden 3 dochters de kampen. Rosette verhuisde na de oorlog naar Amsterdam, Schoontje naar Canada, Aaltje naar Zweden.

De laatste stenen werden gelegd voor het echtpaar Mozes Slager, 57 jaar, en Rebekka Slager-de Lange, 57 jaar, aan de Zuiderstraat 44. Evan de Lange vertelde dat haar oud-tante Rebekka geboren en getogen was Rijssen, de tweede uit een gezin met 7 kinderen. Ze trouwde met Mozes Slager uit Amsterdam. Hij was koopman. Het echtpaar woonde een tijdje in Nederlands-Indië, het huidige Indonesië, maar ging naar Nederland terug omdat Rebekka in de tropen niet kon wennen. Ze was slecht ter been. Het verhaal gaat dat haar man Mozes haar soms hielp door haar zittend in een kruiwagen op de plaats van bestemming te brengen.
In de Zuiderstraat hadden ze een snoepwinkeltje. Mozes en Rebekka werden op 14 mei 1943 in Sobibor vermoord.

Gedicht voorgelezen door Jojanne

Voor Joden was veel verboden.
Hun vrijheid werd hen afgenomen.
Ze waren net als wij.
Maar opeens hoorden ze er niet meer bij.

Het werd oorlog in ons land.
De Duitsers hadden ons in de hand.
Alle mannen moesten zich melden.
Velen vochten op de oorlogsvelden.

Veel mensen werden opgepakt.
En naar de kampen gebracht.
Daarom leggen wij hier stenen.
Voor hen die daar zijn overleden.

Chazan Oude Engberink sprak voor de overledenen het Jiskor, en daarna werd het Kaddish gezegd.

Antisemitisme is nooit weggeweest en laait vandaag de dag ook in Nederland weer op, benadrukte bestuurslid Jenny ter Maat. “Het speelt op in vooroordelen en complottheoriën, in haat en agressie tegen Joodse instellingen, tegen Joods leven, hier en nu. Laten we ervoor zorgen dat Joodse Nederlanders niet opnieuw in een isolement geraken. Laten wij waakzaam zijn.”