De rond de 130 Joden die voor de oorlog in Rijssen woonden, vormden een deel van de Rijssense gemeenschap. Evengoed een noaber, maar ook evengoed verzuild als elke andere geloofsgemeenschap in die tijd. Ze onderhielden de sabbat. Voorganger was rabbi Soes Manus Keizer, de Judnmeaster. De Joodse kinderen gingen naar de openbare school.
Het grootste deel van de Joodse Rijssenaren verdiende de kost als slager, vleeshandelaar, groenteboer, in de manufacturen, als lompenhandelaar. Een tiental werkte in de Jutefabriek. Joodse inwoners met waarschijnlijk enig kapitaal waren de Spanjers van de tabaksfabriek, die gevestigd was op de hoek Schild/Grotestraat, het pand waar nu Eshuis Mode gevestigd is. En huisarts De Haas: hij beschikte als één van de weinige Rijssenaren destijds over centrale verwarming.
Als in 1938 ter ere van het veertigjarig ambtsjubileum van koningin Wilhelmina bij de ingang van veel straten grote, feestelijke, bogen gebouwd worden, staan op de dan gemaakte buurtfoto’s ook de Joodse gezinnen. Tijdens de vooroorlogse autotochtjes met bejaarde Rijssenaren stelde, naast Eshuis, Muller, Dijkink en Wessels (de Hinn) ook Magnus zijn auto en chauffeurskwaliteiten beschikbaar. Het leven lijkt z’n gewone gangetje te gaan.
En dan wordt het 1940 en vallen op 10 mei 1940 de Duitsers binnen. Al vrij snel sluit zich het net om de Joodse gemeenschap. In maart 1941 geeft de gemeente Rijssen, desgevraagd, namen en gegevens van 124 personen van geheel of gedeeltelijk Joodse bloede door aan de Duitsers. In Rijssen wordt het de Joodse inwoners steeds moeilijker gemaakt. In augustus 1941 mogen de Joodse families onder andere niet meer in het Volkspark en in het zwembad komen. Vanaf zondag 2 mei 1942 moeten alle Joden een Jodenster dragen, die ze zelf moeten betalen, vier cent per stuk, en er een textielbon voor moeten inleveren. Op 1 mei 1942 moet huisarts De Haas gedwongen stoppen met zijn praktijk. Kort daarna werd hij opgepakt. Hij is één van de eerste gearresteerde Joden in Rijssen, samen met rabbi Keizer. Op 9 november 1942 moeten de woningen van de Joden die weg zijn ontruimd worden.
Op 9 april 1943 worden de laatste Joodse Rijssenaren weggevoerd. Waaronder Izak Hejjman, de oudste Joodse inwoner. Op 9 april 1943 is het dan zover dat de groepscommandant van de politie in een rapport aan de burgemeester van Rijssen, Wijnand Zeeuw, laat weten dat ’s avonds om 18.00 uur alle Joden uit Rijssen weg zijn. Dertien Joden waren ondergedoken en daarvan is een aantal later toch nog in handen van de Duitsers gevallen.
Stichting Stolpersteine-Rijssen wil de herinnering aan de in de oorlog weggevoerde en nooit meer teruggekeerde Rijssenaren levend houden en, zo mogelijk, hun verhalen vertellen. Hen terugbrengen naar hun buurt, hun straat, hun stad.