Stichting Stolpersteine-Rijssen vierde in maart 2024 haar eerste lustrum. De viering werd gecombineerd met het leggen van 9 Stolpersteine op woensdag 20 maart 2024. Naast het leggen van de Stolpersteine werd er een film over vertoond in het Rijssens Museum en was er een rondrit per bus. Er was veel belangstelling voor het event.
De Stolpersteine werden gelegd aan de Haarstraat 115 en aan de Haarstraat 6, ter nagedachtenis aan de gezinnen Pagrach en Van Bingen, die op deze adressen woonden en die tijdens de Tweede Wereldoorlog werden gedeporteerd en in concentratiekampen om het leven zijn gebracht. Voor nabestaande Sari Pagrach was het een bijzondere dag. Samen met haar man Arik Windholz reisde ze vanuit Israël om in Rijssen Stolpersteine te leggen voor het pand waar haar vader, samen met zijn ouders en twee broers, woonde. Van het gezin overleefde alleen haar vader Mauritz de oorlog.
“Je loopt het centrum van Rijssen uit, naar de plek waar in het verleden een Joods gezin woonde van vijf mensen, waarvan vier gezinsleden de oorlog niet hebben overleefd. Het bijzondere was dat in dit geval de dochter van de man die het overleefd had, Sari Pagrach, aanwezig was en de stenen legde bij het huis waar haar vader gewoond had. Dat komt wel binnen”, vertelt Erik Wessels, wethouder van de gemeente Rijssen-Holten, in het radioprogramma Twente wordt Wakker. “Het leggen van Stolpersteine gaat verder dan het plaatsen van stenen in het trottoir. Het is een daad van herdenken, van eren en van reflectie”, benadrukte burgemeester Jurgen van Houdt, voorafgaande aan het leggen van Stolpersteine voor de families Pagrach en Van Bingen.
Ondergedoken in Twente
Bij het voormalige pand aan de Haarstraat 115 vormden belangstellenden een kring rond de plek waar de stenen gelegd zouden worden. Sari sprak over haar grootouders en ooms, die ze niet gekend heeft. En over haar vader, die in Twente ondergedoken zat. “Tijdens zijn onderduik, en ondanks het grote risico, koos mijn vader ervoor om andere gezinnen te helpen die een schuilplaats voor zichzelf nodig hadden en werkte hij samen met de plaatselijke ondergrondse. Na de oorlog schreef de heer Thomasson van Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten Hengelo hem een aanbevelingsbrief, waarin hij de voortdurende hulp van mijn vader vermeldde.”
‘Overwinning op de Nazi’s’
Mauritz meldde zich na de oorlog als vrijwilliger bij het Nederlands leger en vertrok naar Indië. Na die jaren vestigde hij zich in Israël. In Israël ontmoette hij zijn vrouw Martha-Tamar De Haas, oorspronkelijk afkomstig uit Ommen. Ze kregen twee dochters, waar Sari de jongste van is. Mauritz kreeg zes kleinkinderen, drie meiden en drie jongens, die hij ‘zijn overwinning op de Nazi’s en hun handlangers’ noemde.
Leerlingen Brekeldschool
Leerlingen van groep 7 van de Brekeldschool gaven vervolgens de stenen aan. Sari, vernoemd naar haar oma, legde Stolpersteine voor Abraham Pagrach, vermoord op 7 februari 1945 in Gross Rosen (56 jaar), Saartje Pagrach-Spanjar, vermoord op 19 oktober 1942 in Auschwitz (51 jaar), Andries Pagrach, vermoord op 31 december 1943 in Bobrek (23 jaar) en Israël Pagrach, vermoord op 2 februari 1945 in Gross Rosen (20 jaar). Daarna werd het Kaddish gezegd. Leerlingen lazen een gedicht, legden rozen en speelden op dwarsfluit en keyboard het Hatikwa, het lied van de hoop, dat in 1948 het volkslied van Israël werd.
Familie Van Bingen
Na deze plechtigheid werden aan het begin van de Haarstraat vijf stenen gelegd voor de familie Van Bingen. Voor Bernard van Bingen, overleden op 5 juni 1940 in Anna Paulowna (36 jaar), Berta van Bingen-Opperheimer, vermoord op 11 juni 1943 in Sobibor (39 jaar), hun kinderen Isabella Trude, vermoord op 11 juni 1943 in Sobibor (12 jaar) en Bernard Walter van Bingen, vermoord op 11 juni 1943 in Sobibor (10 jaar) en oma Julia van Bingen-Meijerhof, vermoord op 14 mei 1943 in Sobibor (67 jaar). Ook hier verzorgden leerlingen van de Brekeldschool het aanreiken van de stenen, lazen een gedicht en legden rozen.




























Spreker nabestaande Sari Windholz-Pagrach
Beste vrienden,
Zoals sommigen van jullie weten, ben ik vanuit Israël naar deze ceremonie gekomen. Ik ben geboren in Israël en woon daar al mijn hele leven. Ondanks dat Israël verkeert in staat van oorlog op dit moment is het heel belangrijk voor mij en mijn man om de familie Pagrach hier vandaag te komen vertegenwoordigen. Wij dragen met trots ons erfgoed en delen het vandaag graag met u. Allereerst wil ik de gemeente Rijssen en de mensen van Stichting Stolpersteine Rijssen bedanken, in het bijzonder de heer te Wierik, die het afgelopen jaar persoonlijk contact met mij heeft gehad en mij door dit project heeft geleid. Voor zover ik heb kunnen nagaan, woonden er vóór de deportatie in 1942 ongeveer 120 Joodse mensen in Rijssen. Slechts weinigen van hen – tussen de 3 en 5 – hebben de oorlog overleefd doordat zij een onderduikadres hebben gevonden.
Mijn vader, Moshe-Moritz Pagrach, behoorde tot de “gelukkigen” die terugkwamen na drie jaar onderduiken en vluchten. Ik heb het woord ‘geluk’ gebruikt, maar er was niets gelukkigs aan. Zijn hele familie werd vermoord door de nazi’s en niet iedereen verwelkomde hem bij zijn terugkeer. Toen we in 1990 naar Rijssen kwamen, herinnerde hij zich nog steeds wie er goed geweest waren voor hem en anderen en wie niet goed waren geweest. In 1990 heeft mijn vader meegewerkt aan het plaatsen van een gedenksteen op de Joodse begraafplaats voor het Joodse volk dat niet terugkwam uit de oorlog. Hij was hier erg trots op. De woorden op de grafsteen beginnen met “ter nagedachtenis” en dit is ook het doel van onze bijeenkomst hier vandaag. Vandaag geven wij de eer aan de hele Joodse gemeenschap die voor de oorlog in Rijssen woonde. Maar vooral aan de familie van mijn vader. Mijn grootvader Abraham Pagrach (Bram Van Dries), mijn grootmoeder – Saartje Spanjar-Pagrach, wiens naam ik draag, en mijn twee ooms die ik nooit heb gekend: Andries – Asher en Israel Pagrach.
Mijn grootvader Abraham was schoenmaker. Hij werd in 1942 gedeporteerd en stierf volgens de gegevens die we vonden slechts drie maanden voor het einde van de oorlog – in februari 1945 in het concentratiekamp Gross Rozen in Polen. Mijn grootmoeder Saartje Spanjar werd twee maanden na mijn grootvader en haar zoons gedeporteerd en vermoord in Oswiecim, Polen, 17 dagen nadat ze in het concentratiekamp Oswiecom was aangekomen. Andries (Asher) werd in augustus 1942 gedeporteerd en stierf op 23-jarige leeftijd in het concentratiekamp Bobrek. Israel, de jongste broer van mijn vader, werd eveneens in augustus 1942 gedeporteerd en overleed in februari 1945 op 20-jarige leeftijd in het concentratiekamp Gross Rozen. Mijn vader overleefde de oorlog omdat hij aan de deportatie was ontsnapt om zijn leven te redden. Hij vond goede mensen die hem hielpen te overleven. Er waren maar weinig gezinnen die hielpen. Sommigen voor een paar dagen, sommigen voor maanden . Bij de familie Goorhuis uit Hengelo verbleef hij ruim twee jaar. Ze riskeerden allemaal hun leven door hem te helpen. Mijn vader vertelde mij dat hij meneer Goorhuis een keer had gevraagd waarom ze hem hielpen en dat het antwoord van meneer Goorhuis was: “Ik wil na de oorlog in de spiegel kijken en nog steeds een mens zien”. Mijn ouders bleven tot hun sterfdag contact houden met de familie Goorhuis en ik had het geluk en de trots hen zelf te ontmoeten. Het waren inderdaad goede mensen.
Tijdens zijn onderduik, en ondanks het grote risico, koos mijn vader ervoor om andere gezinnen te helpen die een schuilplaats voor zichzelf nodig hadden en werkte hij samen met de plaatselijke ondergrondse – N.B.S. Na de oorlog schreef de heer Thomasson van N.B.S Hengelo hem een aanbevelingsbrief, waarin hij de voortdurende hulp van mijn vader vermeldde. Na de oorlog kwam mijn vader terug naar Rijssen. Hij kon geen enkel lid van de familie Pagrach vinden en hun familiehuis was in handen van een andere familie. Dus ging hij naar Hengelo, naar de enige mensen die hij kende die hem zouden helpen, en een paar maanden later had hij zich vrijwillig aangemeld bij het Nederlandse leger. Hij ging naar Indonesië en diende daar bijna vier jaar.
Op dit punt wil ik een pauze in het verhaal maken en u een prachtig kort verhaal vertellen dat ik had met de buren van mijn vader aan de Haarstraat 117 – Familie Baan.
Bijna twee jaar geleden kwam ik met een van mijn dochters en haar gezin naar Rijssen. We gingen naar de plek waar het huis van mijn vader was en terwijl ik foto’s van de plek maakte, kwam er een vrouw uit het dichtstbijzijnde huis en vroeg me na een paar minuten of ik de dochter was van Moo Pagrach. Nadat ik haar een positief antwoord had gegeven, zei ze dat ze iets voor mij had – zelfs terwijl we elkaar nog nooit eerder hadden ontmoet. Toen we haar huis binnen gingen, gaf ze me een aantal dingen die van mijn grootmoeder waren en aan haar moeder waren gegeven om ze tijdens de oorlog te bewaren. De familie Baan heeft ze 80 jaar bewaard!!! en mevrouw Baan gaf het mij een paar minuten nadat we elkaar hadden ontmoet…. Het is niet nodig om te zeggen hoe opgewonden ik was en nog steeds ben… dit is het enige souvenir dat we hebben van onze familie die we nooit hebben gekend…
Om het verhaal van mijn vader af te sluiten wil ik er graag mee verder gaan. Nadat hij terugkwam uit Indonesië, ging Hij naar Israël. Volgens hem was en is het nog steeds de enige optie voor de Joden. In Israël ontmoette hij mijn moeder, Martha-Tamar De Haas, oorspronkelijk afkomstig uit Ommen. Het grootste deel van mijn moeders familie heeft de oorlog overleefd, ook door onder te duiken, ze hebben zwaar geleden tijdens de oorlog en mijn moeder had net als veel van de overlevenden te kampen met trauma’s.
In Israël hadden mijn ouders een bakkerij en daar werkten ze jarenlang samen. Ze kregen twee dochters Miriam – Miki en ik, Sari. Ze kregen zes kleinkinderen waar ze erg trots op waren. Mijn ouders zijn allebei in 2001 overleden en nu ik hier vandaag, ruim twintig jaar later, sta, ben ik erg trots. Ik wil jullie allemaal nogmaals bedanken voor alles en ook mijn Nederlandse vrienden die bij ons zijn gekomen, steunend en zorgzaam zoals altijd.
Warme groeten voor u allemaal,
Sari Windholz-Pagrach
Namens mijn dochter Irit wil ik ook graan nog enkele woorden spreken.
Ik ben Irit en ik ben een van de kleinkinderen van Maurits Pagrach. Ik zou graag iets willen toevoegen aan wat mijn moeder zojuist heeft verteld. Ik spreek in naam van onze hele generatie.
Opa Maurits was een liefhebbende opa die er echt om gaf deel uit te maken van ons leven. Hij maakte grappen en hij leerde ons veel over kunst en de geschiedenis van kunst – met veel boeken over Rembrandt, Asher en Leonardo de Vinci. ieder met zijn eigen schildertechnieken. Ook leerde hij ons tekenen met allerlei technieken. Een grote hobby van hem was het verzamelen van postzegels waarbij wij hem graag hielpen. Opa was ook zeer betrokken bij onze sporten. Maar mijn opa gaf vooral les over de mensheid. Van jongs af aan herinner ik me dat hij ons altijd vertelde dat er zowel goed als kwaad in deze wereld is. Ook leerde hij ons dat als er iemand is die onze hulp nodig heeft wij altijd moet helpen, ongeacht wie deze persoon is of wat deze persoon gelooft. We zijn met 6 kleinkinderen, 3 meisjes en 3 jongens. Ieder van ons herinnert zich nog dat opa ons bij elk feest en op elke feestdag vertelde dat wij de nazi’s en hun collaborateurs overwonnen hebben. Ook onze kinderen zullen dit erfgoed behouden. Als kinderen hebben wij de eer gehad om enkele mensen te ontmoeten die mijn opa hebben gered, de familie Goorhuis, de familie Bilder en de familie Wolters, er zijn zelfs vriendschappen ontstaan. We zullen onze familie nooit vergeten, de erfenis die ze ons hebben nagelaten, de verschrikkingen van de holocaust maar ook het licht van de overwinning.
Toespraak Gerrit Dannenberg, familie Van Bingen
Dames en heren, jongelui,
Er komen vrij regelmatig vragen binnen bij het Rijssens Museum over de Joodse plaatsgenoten die in de oorlog zijn vermoord. Een van de laatste keren dat ik een vraag kreeg over de familie Van Bingen was kort na het uitkomen van de film Oppenheimer. Mevrouw Van Bingens meisjesnaam was immers Oppenheimer. Wel logisch dat mensen zich dan afvragen of mevrouw Van Bingen-Oppenheimer familie was van de grote atoomgeleerde. Zulke vragen leg ik dan voor aan onze autoriteit op joods gebied: Dick Poortman. Hij zei dat dit niet direct voor de hand ligt, omdat de naam Oppenheimer een veelvoorkomende joodse familienaam is. Maar het herinnert je toch weer aan de gebeurtenissen van toen.
Het Rijssens Museum heeft in de zaal van de stadsgeschiedenis een speciale vitrine die herinnert aan de joodse stadgenoten die er niet meer zijn. Daarin staat ook de speelgoedpop van Trude van Bingen. Zij heeft hem op het station aan een buurmeisje gegeven om voor haar te bewaren. Trude is nooit teruggekeerd, maar haar portret kunnen we nog altijd zien. De pop is nog niet zo lang geleden op reis geweest naar Duitsland; eerst naar het Stadtmuseum Mörfelden-Walldorf iets onder Frankfurt am Main. Daar was de pop onderdeel van een grote expositie speciaal bestemd voor de scholieren in de leeftijd van 12 tot 16 jaar. Heel goed dat er ook wat wordt gedaan aan bewustwording, juist voor die leeftijdscategorie. Daarna is de pop van Trude nog enkele weken geëxposeerd in het museum van Ochtrup. Het zegt weer iets van het overweldigende gewicht van de gebeurtenissen van toen die zich nooit weer mogen herhalen. De Stolpersteine van vandaag en de zaken in het Rijssens Museum komen hier vandaag even bij elkaar. Het is hard nodig dat we elkaar de gruwelijke gebeurtenissen van toen voortdurend helpen herinneren.
Gedichten door leerlingen
Haarstraat 6
Wij staan hier stil
Door één man zijn wil.
Hij haatte de Joden,
Dit zorgde voor veel doden.
De Rijssense Joden zijn verdreven,
er zijn er maar een paar gebleven.
Maar voor veel was het te laat,
Ze stierven door het kwaad.
Wij leggen hier vandaag een herinnering neer
omdat we moeten herdenken keer op keer
Daarom staan we nu hier
met de toekomst in het vizier
Haarstraat 115
In 1940 kwamen de soldaten in ons land,
Ze drukten iedereen aan de kant,
alles werd verboden voor de Joden,
en er kwamen steeds meer noden.
Ook in Rijssen was het oorlog,
en in de krant stond veel bedrog,
sommigen doken onder,
ze hoopten op een wonder
Het wonder kwam niet,
het werd juist meer verdriet,
familie bleef maar wachten,
de dagen en de nachten.
De Joden werden opgepropt in de kampen,
oftewel kampen van de grote rampen,
je had geen hoop meer op het leven,
iedereen zat er te beven,
Daarom leggen we straks deze steen.
Voor Abraham, Saartje, Andries en Israël elk één.
