Met het leggen van tien Stolpersteine zijn woensdag 11 oktober de namen van twee Joodse gezinnen uit Rijssen, vermoord in concentratiekampen, weer bij elkaar gebracht. Leerlingen van de Klim-Opschool gaven de struikelstenen aan, legden rozen en lazen een gedicht.
Deze Stolpersteine worden gelegd ter nagedachtenis aan de families Gerrit de Lange aan de Walstraat 11 en Salomon Spanjar aan de Elsenerstraat 48. Zij woonden op deze adressen en werden tijdens de Tweede Wereldoorlog gedeporteerd en onder andere in Auschwitz en Blechhammer om het leven gebracht. Tijdens de ceremonie worden verhalen gedeeld over de vroegere inwoners van Rijssen. Leerlingen van basisschool Klim-Op reiken de stenen aan, dragen op beide locaties gedichten voor en plaatsen rozen. Rabbijn Clary Rooda is aanwezig en spreekt het Kaddisj uit bij beide gelegenheden.
Gait van Ruubn
Vijf stenen werden gelegd aan de Walstraat, voor groenteboer Gerrit de Lange, zijn vrouw Rebekka en hun zonen Simon, Ruben en Alex. Nawijn vertelde over het gezin dat hier woonde: “Gerrit had ook een bijnaam: Gait van Ruubn, dat betekende dat hij met zijn gezin volledig was opgenomen in de Rijssense gemeenschap.”
Jan Poortman las aansluitend zijn eigen, indrukwekkende, gedicht voor dat hij een aantal jaren geleden schreef over de door de buurt gemaakte ereboog in 1938; op een foto daarvan staan ook de gezinsleden De Lange.
Het ijzeren kistje
Eveneens vijf stenen werden gelegd voor het pand aan de Elsenerstraat 48, voor pluimveehandelaar en klompenmaker Salomon Spanjar, zijn vrouw Josephina en hun kinderen Hendrina, Ruben en Israël. “Oftewel het gezin van De Monne van Spanjar”, vertelde Jos Andriessen, schoonzoon van Garrat Snijders van het voormalige café De Pol, tegenover het pand van Spanjar. Andriessen vertelde het verhaal van het ijzeren kistje van de familie Spanjar, met wat goudwerk, wat geld en een paar belangrijke papieren. Salomon vroeg of caféhouder Spenkelink (de oom van Garrat Snijders) dat wilde bewaren tot hij terugkwam. Een bijzonder verhaal, met op het eind een kistje dat weer op tafel kwam. “Maar van de familie Spanjar keerde niemand terug.”
Zwarte bladzijde
“Het is aan ons en de generaties na ons om de herinnering aan deze zwarte bladzijde in de geschiedenis levend te houden. En om ons blijvend in te zetten deze wereld tot een plek te maken en te houden waar iedereen met respect en waardig met elkaar omgaat. Laten we niet polariseren, maar juist samenbrengen en samenwerken. Dat is hard nodig, juist nu”, aldus Nawijn, die afsloot met de woorden ‘Een mens is pas vergeten als zijn naam vergeten is’.
Gedicht: 1938 op ’n Hoog’n Pad
Door Jan Poortman
’t Was 1938, nen foto van Riessender op ’n Hoog’n Pad.
Nen heel’n hoop leu steun’n doar biej de oarmnhuuze.
Wat leu har’n et good, aandern war’n zo oarm as luuze.
Willemina 40 joar koneginne en joa, det was oew wat!
Twee boagns van greun met de letter W der boawn op,
doar op ‘n hook biej de oale bakkerieje van de Skuure.
Allemoale biej mekoar steun ze doar vuur de duure;
kiek’n noar ’t veugelken; de keals met petjes op ’n kop.
Vrouwleu, wichter op ’n oarm; wat jongns op de kneene.
Keals op de ledder met strak in de haene ’n fleske beer.
En vuuran ook nen weendhoond, ‘t oarme magere deer.
Wat d’r steet te gebuurn, det weet d’r dan nog geneene.
Gerrit en Rebekka met Simon, Ruben en Alex de Lange;
Riessender, greuts op de buurte en greuts op de boage.
Joa de Jur’n heur’n d’r biej, det was toen ginne vroage.
Zee steun’n doar zo fier en war’n vuur niks neet bange!
Mear twee joar later, kum’n de Duutsers in ’t laand.
Zee speuld’n toew in Riessen de baas met alle geweald
en hoe aln’s mos goan wurd’n duur ear toen verteald.
Willemina den vluchtten, de wearld steun in ’n braand!
Gerrit en Rebekka oet Riessen mossen gedwung’n op pad
en zo ook eure wichter Simon, Ruben en Alex de Lange.
Gerrit, Rebekka, Simon, Ruben, Alex, ik zin toch zo bange:
van oeleu hef d’r doarnoa geneene mear berich ehad!






















Sprekers
Jos Andriessen over het gezin van De Monne van Spanjar, Elsenerstraat 48
Beste mensen,
De Stolpersteine die hier geplaatst worden, houden de herinnering levend aan een vooroorlogse leefgemeenschap in Rijssen waarin mensen met verschillende religieuze en maatschappelijke achtergrond als goede buren met elkaar leefden en werkten. Een leefgemeenschap, die in de oorlog bruut verstoord werd door de wegvoering en vermoording van het gezin van Salomon Spanjar of op zijn Rijssens: het gezin van De Monne van Spanjar.
Ik zelf ben van na de oorlog en niet in Rijssen opgegroeid en heb dus die vooroorlogse leefgemeenschap hier aan de Elsenerstraat niet gekend. Wat ik daarvan weet, komt door mijn schoonvader caféhouder Snijders of te wel Garrad van ’n Pol die mij vele jaren geleden uitvoerig vertelde over zijn leven in Rijssen en over het leven in deze buurt. In die verhalen kwam ook de familie Spanjar voor. Het waren buren met wie men bij wijze van spreken dagelijks omging.
De familie Spanjar hield de sabbat in ere en mijn schoonvader vertelde mij dat hij daarom voor de oorlog elke vrijdag tegen avond naar de overkant ging om voor de familie Spanjar het licht aan te doen en de soep op te warmen, die overdag gekookt was. Later op de avond deed hij dan het licht weer uit. Ik hoor hem nog op z’n Rijssens zeggen: “Dat he’k joarn edoan!”
Dat was destijds niet bijzonder. Men deed dat gewoon. Het was burenplicht.
Salomon Spanjar handelde in pluimvee en prees zijn waren periodiek aan in het Weekblad voor Rijssen. De advertentie eindigde steevast met: beleefd aanbevelend De Monne van Spanjar en dan zou je een adres verwachten maar nee steevast volgde dan de toevoeging: tegenover Den Pol.
Alleen al die simpele toevoeging maakt duidelijk dat er sprake was van goede nabuurschap en van gemoedelijkheid. Men kende elkaar en men vertrouwde op elkaar.
Dat vertrouwen was er ook toen de familie Spanjar zich in het oorlogsjaar 1942 moest melden om naar Westerbork te worden gevoerd. Enige dagen daarvoor, vertrouwde Salomon Spanjer caféhouder Spenkelink van De Pol een ijzeren kistje toe met wat goudwerk, wat geld en een paar belangrijke papieren waaronder de persoonsbewijzen (de zgn. Ausweisen) van hemzelf, zijn vrouw en zijn kinderen.
“Ik haal het kistje wel weer op als ik terug ben” , zou hij volgens mijn schoonvader gezegd hebben.
Caféhouder Spenkelink ( hij was een oom van mijn schoonvader) begroef het kistje in zijn achtertuin om ontdekking tegen te gaan. Toen Salomon Spanjar zich enige dagen later meldde, werd hem meteen gevraagd naar de Ausweisen. Hij moet daarvan behoorlijk geschrokken zijn en in die ongetwijfeld gespannen situatie zei Salomon Spanjar dat hij de persoonsbewijzen bij De Pol had achtergelaten. De volgende dag al stond er een politieagent voor de deur van café om de persoonsbewijzen op te halen. Uiteraard schrok caféhouder Spenkelink geweldig want hulp aan Joden werd zwaar bestraft. Nog hoor ik mijn schoonvader zeggen: “’n Pol werd zo wit as nen dook”. Hij kon niet anders dan het kistje opgraven en meegeven aan de politieagent. Nog weken heeft hij in angst gezeten vanwege de mogelijke strafvervolging die hem boven het hoofd hing maar hij vernam niets.
Rabbijn Rooda
Struikelstenen voor het gezin van Salomon Spanjar, Elsenerstraat 48.
Josephina Spanjar- de Lange is de zus van Gerrit de Lange voor wie we eerder vanochtend Struikelstenen hebben gelegd bij de Walstraat; zij was een zus van Eva’s opa, Aron de Lange; dus tante van Eva’s vader en oudtante van Eva.
Struikelstenen maken dat je even stil staat en voorover buigt. Dat je tot je door laat dringen wat er staat en wat er hier is gebeurd. Struikelstenen maken de geschiedenis van een straat, een dorp, een stad inzichtelijk. Het is belangrijk dat mensen weten wat er is gebeurd. Dat we de verhalen blijven vertellen. Om ons niet onverschillig te doen zijn over het lot van anderen en ons te laten zien dat wij het verschil kunnen maken.
Soms denken mensen dat met Anne Frank de laatste Jood uit Nederland is weggevoerd en er geen Joden meer in Nederland zijn, maar gelukkig is er weer een levendige Joodse cultuur en religie. Maar onze Joodse gemeenschap is te klein om dit zware verlies alleen te dragen. Het levend houden van deze zwarte bladzij uit onze geschiedenis, is de plicht van iedereen. Om de namen te blijven noemen van hen die vermoord zijn, alleen omdat zij Joods waren. Om te laten zien waar uitsluiting toe kan leiden. Om te blijven waarschuwen tegen onrecht, discriminatie en antisemitisme. Laten we elkaar vooral als mens zien en niet als De Ander. Onze vrijheid brengt ook de verantwoordelijkheid met zich mee deze te verdedigen en ons uit te spreken als mensenrechten in het geding zijn.
Gedichten leerlingen
Elsenerstraat 48
ze pakten hun koffers
sloten de voordeur en
gingen ongewild op reis
de trein reed naar weg
naar leeg, naar ver
naar ademnood
naam en eigenheid
werden tot nummers
op armen gebrand
er is grond voor namen
tegels die anders zijn
tussen het grijs
geen ontkomen
maar stilstaan voor
het verder gaan
Walstraat 11
Ik moet schuilen onder trap in de gang,
de geluiden van de oorlog maken mij bang.
Buiten hoor ik het schieten van geweren,
en de soldaten die langs marcheren.
Deze geluiden zijn mij bekend,
het is al het zoveelste bombardement.
Waarom doen ze de Joden zoveel verdriet?
Echt anders ben ik toch niet?
Ik wil weer spelen in het groene gras,
En zou willen dat het vrede was.
