De familie Pagrach woonde aan de Walstraat 40. Zes gezinsleden werden in de oorlog vermoord. Vader Jacob Pagrach (56) op 31 juli 1944 in Auschwitz. Moeder Sara Jeanette (59), dochter Sophia (26) en dochter Rachel (20) op 19 oktober 1942, ook in Auschwitz. Dochter Johanna werd vermoord op 7 mei 1943 in Sobibor en zoon Andries (18) op 10 februari 1945 ergens in Duitsland.
Het gezin Spanjar woonde aan de Wierdensestraat 96. Ze werden allen in Auschwitz omgebracht. Vader Israël Spanjar (36) werd vermoord op 28 februari 1943. Moeder Roosje Spanjar-de Lange (26) werd vermoord op dezelfde dag als hun kinderen Esther (5) en Eva (4), op 22 oktober 1942.
Tijdens de ceremonie vertellen nabestaanden wat het leggen van deze Stolpersteine betekent voor hen. Leerlingen van de Haarschool in Rijssen geven op beide locaties de Stolpersteine aan, dragen een gedicht voor en leggen rozen. Het Kaddisj wordt bij beide leggingen uitgesproken. De gemeente Rijssen-Holten verleent alle medewerking.
Nadat de stenen gelegd zijn en de ceremonie is afgesloten kan iedereen langs de Stolpersteine lopen en eventueel een bloem of, naar Joods gebruik, een klein steentje leggen.























Spreker nabestaande Donald Pagrach, voor zijn vermoorde grootouders, tantes en oom.
Voor het huidige eethuisje in de Walstraat werden woensdag 15 maart 2023 zes Stolpersteine gelegd voor het gezin Pagrach. Hier woonden Jacob Pagrach (56) en Sara Jeanette Pagrach-van Gelder (59) en hun kinderen Sophia (26), Johanna (24), Rachel (20) en Andries (18). Leerlingen van de Haarschool gaven de stenen aan, legden witte rozen en Silke Averesch las haar gedicht voor.
De kleinkinderen van Jacob en Sara Jeanette waren aanwezig bij de legging. Lilly Pagrach las een gedicht en Donald Pagrach vertelde hoe zijn vader Max, ook een zoon van Jacob en Sara Jeanette, ondergedoken was bij de familie Batelaan. Het gevolg van een vriendschap die in Rijssen begon tussen de directeur van de gasfabriek Henk Batelaan en Jacob Pagrach. Zoon Max dook samen met zijn vrouw drie jaar onder bij de familie Batelaan in Leidschedam. “De familie Batelaan had zelf zeven kinderen. De families zijn altijd bevriend gebleven.”
Samen met zijn broer Marcel zegde hij het Kaddish. “Het Kaddish is het gebed voor de doden, dat uitgesproken wordt als een Jood wordt begraven. Joden hebben het eeuwige grafrecht, het graf blijft altijd ongeschonden. Maar deze Joden, mijn grootouders en de broers en zussen van mijn vader, hebben nooit een graf gekregen. Omdat ze zijn vermoord tijdens het naziregime. Door de plaatsing van de Stolpersteine hebben zij toch een soort van graf gekregen, een soort plek waar ze herdacht kunnen worden”, vertelde Donald met emotie.
“Ik wil het Kaddish zeggen als kleinkind van mijn opa Jacob en mijn oma Jeanette. Maar ik wil dit niet alleen als kleinkind van deze twee mensen doen, ik wil het ook namens mijn vader doen. Nee, ik wil het niet namens mijn vader doen, ik wil het áls mijn vader doen. Want mijn vader heeft nooit de kans gehad om het Kaddish te zeggen bij het graf van zijn ouders. Nu, bij het uitspreken van het Kaddish, treed ik op als mijn vader.”
De vader van Donald overleefde de oorlog. “Dat mijn ouders de oorlog hebben overleefd, was mogelijk omdat er tijdens de Tweede Wereldoorlog een familie genaamd Batelaan was die hen onderdak verschafte. Zelf hadden zij 7 kinderen en door hun ware en volledige geloof in God waren ze ervan overtuigd dat ze het konden. De zin in de bijbel ‘Als je het leven van 1 persoon redt, red je de hele mensheid’ was hun drijfveer om dit te doen. Ze waren ervan overtuigd dat God hen zou beschermen. En dat deed Hij ook.”, vertelde Donald hierover. “Mijn ouders hadden geen keus en ook de familie Batelaan paste zich aan de veranderde omstandigheden aan. Hoe ouder ik word, hoe onwaarschijnlijker ik het ga vinden. Gedurende 3 jaar overleefden ze razzia’s, onverwachte bezoekers, gebrek aan voedsel, vermoorde familieleden en vrienden. En misschien is wel het meest onmogelijke dat geen van hun schoolgaande kinderen ooit iets in de klas hebben verteld over het feit dat hun ouders 4 Joden verborgen hielden.”
Spreker Eva de Lange – Spanjar–de Lange
Welkom allemaal. Welkom aan de familie Scherphof, de kinderen van de oude buren van de familie Spanjar, en aan de huidige bewoners van het pand, de familie Brandriet, waar we nu de Stolpersteine gaan leggen. Ook bijzonder welkom aan Rabbijn Rooda. En nog meer welkom aan de klas van de Haarschool. Voor mij is deze bijeenkomst en de aanwezigheid van jongeren heel belangrijk omdat ik de laatste van deze familie Spanjar – de Lange in Rijssen ben en graag wil dat het verhaal doorverteld wordt.
We staan nu voor het huis waar Israel – oftewel Ieske – Spanjar en Roosje de Lange woonden met hun twee dochters, Esther en Eva. Roosje was mijn vaders oudste zus en dus mijn tante. Ik ben Eva de Lange, dochter van Ies de Lange en Dina Jansen die een manufacturenzaak aan de Elsenerstraat hadden. Ik ben na de oorlog geboren. Mijn vader, Ies de Lange overleefde als enige van zijn gezin en familie Auschwitz-Birkenau. Zijn vrouw en vier kinderen werden in Sobibor vermoord. Ik heb Roos en haar kinderen niet gekend, maar wel met ze geleefd: in ons huis stond een foto van Roos met haar twee dochters.
Ieske Spanjar is geboren op 2 januari 1907 in Rijssen. Hij was het tweede kind van Levie Spanjar en Esther Spanjar-Samuel. Een van zijn zusters, Betje Keizer-Spanjar, was de vrouw van de laatste rabbijn in Rijssen. Roosje de Lange, de vrouw van Ieske, is geboren op 29 oktober 1916 in Rijssen. Zij was het tweede kind van Aron de Lange en Eva de Lange-Cohen. Mijn vader was het oudste kind. In dit huis zijn de dochters van Ieske Spanjar en Roosje geboren. Esther op 1 maart 1937 en Eva op 13 juni 1938. Ieske was van beroep veehandelaar.
In 1938 kregen ze nieuwe buren, de familie Scherphof. De gezinnen waren goed bevriend. Nederland werd bezet in 1940. Waarschijnlijk heeft de bezetter Ieske eind 1941 zijn veehandel ontnomen. Hierdoor waren er geen inkomsten meer. Een volgende maatregel werd ingevoerd: alle Joodse mannen werden opgeroepen voor een werkkamp, ergens in Nederland. Zo ook Ieske. In de zomer van 1942 werd hij met andere Joodse mannen naar Kamp Overbroek bij Kesteren in de Betuwe gebracht. Daar moesten ze onder erbarmelijke omstandigheden graafwerkzaamheden verrichten voor de Grebbelinie. Verder werden zij ingezet om de oorlogsschade van 1940 te herstellen.
Toen Roosje hoorde dat haar man naar het werkkamp moest, raakte ze zo in paniek, dat ze met haar dochters is gaan inwonen bij haar schoonouders aan de Stationsdwarsweg in Rijssen. In diezelfde tijd is er door de eigenaar van het huis dat Ieske en Roos met hun kinderen bewoonde, Jan Gerhard Eshuis (alias SniederJan), onderduik aangeboden aan de dochters. Zij zouden kunnen onderduiken bij een broer van SniederJan die hoofdonderwijzer was van een school in Harskamp in Gelderland. Roosje heeft daar geen gebruik van gemaakt. In de nacht van 2 op 3 oktober 1942 werden alle Joodse mannen uit de werkkampen naar kamp Westerbork gebracht. Let wel: het was Jom Kippoer, Grote Verzoendag, de belangrijkste en heiligste dag van het jaar voor Joden.
De gezinnen van deze Joodse mannen werden op hetzelfde moment uit hun huizen gehaald en ook naar kamp Westerbork gebracht. Hoogstwaarschijnlijk werd in diezelfde nacht ook werkkamp Overbroek ontruimd. Op de plek waar we nu staan gebeurde er die avond iets dramatisch. De buren, de familie Scherphof, hoorden iets bij het huis van Roosje en Ieske dat leeg stond. Ze zagen een agent die met een zaklantaarn naar binnen scheen. Scherphof vertrouwde het niet en vroeg wat hij daar deed. Hij gaf aan dat hij informatie over Ieske had en dat hij die aan Roosje wilde vertellen. Scherphof checkte nog een keer bij de agent of het klopte wat hij zei en is toen met hem naar het adres van de schoonouders van Roosje gelopen. Daar aangekomen draaide de agent als een blad aan een boom om. Hij sommeerde Roosje en haar dochters zich aan te kleden, koffers te pakken en mee te gaan. Scherphof mocht verder Roosje niet bijstaan en rende direct naar Roosjes ouders op de Dannenberg. Zij gingen onmiddellijk naar Roosje toe en zo konden ze toch nog afscheid van elkaar nemen.
Roosje en haar dochters werden opgesloten in de Schildschool. Scherphof is nog een paar keer naar de school gegaan en het laatste wat hij zag was dat de dochters met een Duitse soldaat aan het spelen waren met een bal. Waarschijnlijk zijn ze een dag later naar de trein gebracht. Daar werden ze onder bewaking naar kamp Westerbork vervoerd. Het huis van het gezin Spanjar werd de volgende dag door de bezetter leeggehaald. Daarvóor heeft Scherphof nog kleding van de kinderen uit het huis gehaald en later opgestuurd naar Westerbork. Ook de kachel en eetkamerstoelen heeft hij eruit kunnen halen. Dat kon omdat er tussen de huizen via de zolder een doorgang was.
Na de oorlog heeft Scherphof de stoelen teruggegeven aan mijn vader. Twee daarvan zijn nog steeds in mijn bezit. De kachel heeft hij later verkocht en het geld daarvoor kreeg mijn vader ook terug. Scherphof heeft zijn leven lang last gehad van het feit dat hij de agent de weg gewezen heeft. Mijn vader heeft hem dit nooit kwalijk genomen. Toen de ouders snel afscheid hadden kunnen nemen van Roosje en hun kleindochters waren ze Scherphof zo dankbaar dat ze met een kruiwagen vol kruidenierswaren, waaronder veel zeep, wat heel schaars was in die tijd, hem kwamen bedanken.
Op 22 oktober 1942 zijn Roosje, Esther en Eva bij aankomst in Auschwitz vergast. Vader Ieske werd geselecteerd omdat hij sterk genoeg was en gedwongen werd daar te werken. Drie maanden later, op 22 januari 1943, is Ieske alsnog in Auschwitz vermoord. Ieske was 36 jaar. Roosje was 25 jaar. Esther 5 jaar. Eva 4 jaar
Van binnen zijn wij mensen allemaal hetzelfde, maar nog al te vaak beoordelen wij elkaar op uiterlijk of op andere gronden wat kan leiden tot het niet zien van de ander als naaste. Ik ben de laatste overlevende van de familie De Lange in Rijssen en de enige manier om dit verdriet te dragen, is het verhaal van hun ondergang te vertellen. Vooral aan jongeren voor wie dit verhaal bijna onwaarschijnlijk klinkt. Toch blijft het belangrijk om te blijven waarschuwen tegen onmenselijkheid en dat die soms dichterbij is dan je denkt.
Gedichten leerlingen
Steenlegging voor het gezin Spanjar, Wierdensestraat 96
De straten kleurden rood
De mensen stierven
Er waren verschrikkelijke tijden
Er waren weinig die niet lijden
Er was veel honger en pijn
De Joden moesten aan de kant
Mensen werden zomaar op straat neergeschoten
Er was zoveel leed en pijn
Zou er ooit nog redding zijn?
Om te herdenken al dit leed en geween leggen wij een Stolperstein.
Steenlegging voor het gezin Pagrach, Walstraat 40
Op 4 en 5 mei is er een treurige maar ook blijde dag.
We herdenken de mensen in het graf.
Die omgekomen zijn door Hitler zijn straf.
Na die vreselijke tijd,
zijn wij eindelijk na 5 jaar bevrijd.
Daarom legen wij deze gouden stenen voor de mensen die zijn overleden.
